Collection

The Jungle Book Wiki

Deel je kennis over Het Jungleboek. Bewerk de artikelen en verbeter deze Wiki.
Recente Wijzigingen - Zoek:

JBWiki

Het Engels talige gedeelte van deze wiki is veel vollediger.
Gezocht: iemand die een begin wil maken aan het vertalen van Engelse wiki pagina's naar het Nederlands.


Powered by


edit SideBar

Nl /

BroedersVanMowgli

<< | Het Jungleboek | Jachtlied van de Sionie-horde >>


DE BROEDERS VAN MOWGLI

 Chil de Wouw kondigt aan de nacht,
 door Mang de Vleermuis vrijgelaten.
 Nu slapen de kudden in de dichte stal, 
 en tot de ochtend is de aarde van ons.
 Dit is het uur dat klauwen kaak
 hun macht en kracht doen heersen.
 0, hoor de roep!  Goede jacht aan allen
 die de Wet van de Jungle houden.
 Nachtlied van de Jungle

Het was in de Sionieheuvels, omstreeks zeven uur op de avond van een zeer warme dag. Vader Wolf ontwaakte uit zijn dagrust, krabde zich, geeuwde en strekte een voor een zijn poten uit om het slaperige gevoel uit zijn tenen te verdrijven. Moeder Wolf lag met haar grote grijze neus gedoken tussen haar vier stoeiende, piepende welpen en de maan bescheen de ingang van het hol waarin zij allen leefden. "Aughr!" zei vader Wolf "Het is tijd om weer eens op jacht te gaan," en hij wilde juist de heuvel afspringen, toen een kleine schaduw met een dikbehaarde staart over de drempel schoof en jankte: "'t Geluk zij met u, o Opperhoofd der Wolven. En veel geluk en sterke witte tanden voor uw edele kinderen en dat ze nooit de hongerigen op deze wereld mogen vergeten."

Het was de jakhals, Tabaqui, de kliekjesgast. De wolven van India minachten Tabaqui, omdat hij overal rondsluipt en tweedracht zaait, praatjes vertelt en vodden en stukken leer eet uit de afvalhopen bij de dorpen. Maar toch zijn ze bang voor hem, omdat Tabaqui, meer dan wie ook in de Jungle, dol kan worden. Dan vergeet hij dat hij ooit voor iedereen bang is geweest. Dan holt hij door het woud en bijt alles wat hij tegenkomt. Zelfs de tijger vlucht en verstopt zich als de kleine Tabaqui dol wordt, want dolheid is wel het allerschandelijkste dat een wild dier kan overkomen. Wij noemen dat hydrofobie maar zij zeggen dewanee - dolheid - en slaan op de vlucht.

"Kom binnen dan en kijk," zei vader Wolf uit de hoogte, "maar hier is geen eten."

"Neen, voor een wolf misschien niet," zei Tabaqui, "maar voor zo'n gering persoontje als ik is een afgekloven been een festijn. Wie zijn wij, wij van de Gidoer-log (het Jakhalzenvolk), om te mogen keuren en kiezen?" Hij schoot naar het diepste van het hol, waar hij een been van een bok vond met nog wat vlees eraan, ging liggen en begon smakelijk te kluiven.

"Wel bedankt voor dit kostelijke maaltje," zei hij, terwijl hij zich de lippen likte. "Hoe mooi zijn uw edele kinderen! Hoe groot hun ogen! En daarbij nog zo jong! Voorwaar, ik had er aan moeten denken dat koningskinderen van meet af aan mannen zijn. "

Nu moet gezegd worden dat Tabaqui evengoed als wie ook wist dat er niets zo verkeerd is als kinderen recht in hun gezicht te vleien en hij merkte met plezier dat vader en moeder Wolf er ongemakkelijk bij zaten.

Tabaqui zweeg en verkneuterde zich een ogenblik in de ontstemming die hij had teweeggebracht. Daarna ging hij boosaardig verder: "Shere Khan, de Grote, heeft zijn jachtgebied verlegd. Zoals hij mij verteld heeft, wil hij gedurende de volgende maan hier in de heuvels komen jagen. "

Shere Khan was de tijger die aan de Waingundja-rivier woonde, twintig mijlen verder.

"Hij heeft daar het recht niet toe!" begon vader Wolf kwaad."Volgens de Wet van de Jungle heeft hij het recht niet zijn jachtgebied te verleggen, zonder ons behoorlijk te waarschuwen. Hij zal al het wild, tien uren in het rond, schrik aanjagen en ik - ik heb voor twee op jacht te gaan deze dagen."

"Zijn moeder noemde hem niet voor niets Lungri de Lamme,"sprak moeder Wolf zacht. "Van zijn geboorte afis hij aan n poot kreupel. Daarom heeft hij nooit iets anders dan vee gedood. De dorpelingen in de vallei van de Waingundja zijn kwaad op hem en nu is hij hierheen gekomen om onze dorpelingen kwaad te maken.Ze zullen de Jungle voor hem afbranden, als hij ver weg is, en wij en onze kinderen zullen moeten vluchten als het gras aan t vlammen gaat. Ja, wij zijn Shere Khan zeer dankbaar!"

"Zal ik hem uw dankbaarheid overbrengen?" vroeg Tabaqui.

"Eruit!" beet vader Wolf hem toe. "Eruit en jaag met je meester.Je hebt voor deze nacht al genoeg kwaad gesticht."

"Ik ga al," zei Tabaqui zacht. "Je kunt Shere Khan beneden in de struiken al horen. Ik had mij de boodschap kunnen sparen.

"Vader Wolf luisterde en in het dal, dat neerdaalde naar een klein riviertje, hoorde hij het droge, woedende, grommende gejank van een tijger die niets gevangen heeft en er ook niets om geeft dat heel de Jungle het weet.

"Die dwaas!" zei vader Wolf. "Om met zo'n lawaai de nacht te beginnen! Denkt hij soms dat onze antilopen zijn als de vette ossen aan de Waingundja?"

"Stil! Het zijn antilopen noch ossen waarop hij vanavond jacht maakt," zei moeder Wolf. "Het is op mensen!" Het gehuil was overgegaan in een soort grommend spinnen dat uit de vier windstreken tegelijk scheen te komen. Het was het geluid dat houthakkers en zigeuners die in de open lucht slapen, soms zo van streek brengt dat ze recht in de open muil van de tijger lopen.

"Mensen!" sprak vader Wolf en ontblootte al zijn witte tanden."Foei! Zijn er dan niet genoeg kevers en kikkers in de waterreservoirs, dat hij mensen moet eten en dat nog wel in ons eigen gebied? "

Volgens de Wet van de Jungle, die niets beveelt zonder reden, mag geen enkel dier mensen doden, tenzij om zijn kinderen te leren hoe ze moeten doden en dat enkel buiten de jachtgronden van zijn eigen troep of stam. De ware reden hiervan is, dat het doden van mensen vroeg of laat de komst betekent van witte mannen op olifanten, gewapend met geweren en vergezeld van honderden bruine mannen met gongs, vuurpijlen en fakkels. Dan lijdt iedereen in de Jungle. De reden die de dieren onder elkaar opgeven, is dat de mens het zwakst en ook het meest hulpeloos is van alle levende wezens en dat het niet sportief is hem te krenken. Zij zeggen ook - en dat is waar - dat menseneters schurft krijgen en hun tanden verliezen.

Het spinnen werd luider en eindigde in het uit volle keel gebruld "Aa-aarh!" van een tijger die toeslaat. Daarop volgde er een gehuil - een gehuil dat in niets aan een tijger liet denken -van Shere Khan.

"Hij sprong ernaast," zei moeder Wolf "Wat zou het zijn geweest?"

Vader Wolf liep twee, drie stappen naar buiten en hoorde Shere Khan woest mompelen en mopperen, terwijl hij door het struikgewas buitelde.

"Die domkop heeft niets beters weten te doen dan in het kampvuur van een houthakker te springen en hij heeft zijn poten verbrand," zei vader Wolf met een grom. "Tabaqui is bij hem."

"Er komt iets de heuvel op," zei moeder Wolf, terwijl ze een oor opstak. "Pas op!"

Vanuit het kreupelhout klonk het geritsel van takken en vader Wolf zakte door zijn achterpoten, klaar voorde sprong, En als je dan had kunnen toekijken, had je iets wonderbaarlijks kunnen zien - een wolf die zich midden in zijn sprong inhield. Hij sprong vr hij zag waarnaar hij sprong en toen hij het zag, probeerde hij van richting te veranderen. Het gevolg was dat hij recht omhoog schoot, vier, vijf voet de lucht in, en bijna op dezelfde plek neerkwam vanwaar hij opgesprongen was.

"Een mens!" grauwde hij. "Het jong van een mens. Kijk!"

Vlak vr hem en zich vasthoudend aan een lage tak stond een naakt bruin kindje, dat pas kon lopen -het zachtste en molligste dingetje dat ooit 's nachts in een wolvenhol kwam. Het keek vader Wolf recht in het gezicht en lachte.

"Is dat een mensenjong?" vroeg moeder Wolf "Ik heb er nog nooit een gezien. Breng het eens hier."

Een wolf, gewoon zijn eigen jongen te dragen, kan als het moet een ei in zijn muil nemen zonder het te breken en al waren de kaken van vader Wolf dichtgeklemd om het lichaam van het kind, toch was er geen enkele tand die ook maar de huid schramde, toen hij het bij de welpen neerlegde.

"Wat klein! Wat naakt en zo helemaal zonder vrees!" sprak moeder Wolf zacht. Het jongetje drong zich verder tussen de welpen vooruit om dicht bij haar warme zij te komen.

"Aha! Het eet met de anderen mee! En dat is nu een mensenjong. Zeg eens, was er ooit een wolvin die er zich op kon beroemen een mensenjong onder haar kinderen te hebben?"

"Ik heb daar nu en dan wel eens van gehoord, maar niet in onze horde en niet in mijn tijd," zei vader Wolf.

"Het is helemaal zonder haar ik zou het wel kunnen doden met een tik van mijn poot. Maar zie, het kijkt op en is niet bang."

Het maanlicht werd plotseling buitengesloten, want Shere Khans grote, vierkante kop en ook zijn schouders werden in de toegang van het hol gewrongen. Tabaqui stond achter hem en krijste: "Heer, heer, hier kroop het naar binnen!"

"Shere Khan bewijst ons een grote eer," zei vader Wolf, maar zijn ogen fonkelde van woede. "Wat verlangt Shere Khan?

" Mijn prooi. Hier is een mensenjong binnengegaan," sprak Shere Khan. "Zijn ouders zijn gevlucht. Geef het mij!"

Shere Khan was in het kampvuur van een houthakker gesprongen, precies zoals vader Wolf had gezegd, en hij was woedend door de pijn aan zijn gebrande poten. Doch vader Wolf wist dat de ingang van het hol te nauw was om een tijger door te laten. Zelfs waar hij stond waren Shere Khans schouders en poten door gebrek aan ruimte reeds danig ingeklemd, zoals de ledematen van een man wanneer die zou proberen te vechten in een vat.

"De wolven zijn een vrij volk," zei vader Wolf: "Zij krijgen hun bevelen van het hoofd van hun horde en niet van de eerste de beste gestreepte ossendoder. Het mensenjong is van ons - om het te doden als 't ons belieft."

"Believen of niet believen! Wat is dat alles voor praat! Bij de stier die ik doodsloeg, moet ik hier met de neus in jouw hondenhol blijven liggen om te krijgen wat het mijne is? Ik ben het, Shere Khan, die spreekt!"

Het gebrul van de tijger vulde het hol met donder. Moeder Wolf schudde de jongen van haar flanken en sprong vooruit. Haar ogen, als twee groene manen in de duisternis, keken recht in de gloeiende ogen van Shere Khan.

"En ik, Raksha de Duivelin, ben het die antwoordt. Het mensenjong is van mij , Lungri - van mij alleen! Het zal niet gedood worden.Het zal leven om met onze horde rond te trekken en te jagen; en, denk erom, jager op naakte jongetjes - kikvorseneter vissenvanger - op 't laatst zal het jacht maken op jou! En nu maak je dat je wegkomt, of anders ..., bij de sambhur die ik doodde - ik eet geen uitgehongerd vee - gebrandmerkt beest van de Jungle, keer terug naar je moeder, nog lammer dan toen je op de wereld kwam! Ga! "

Vader Wolf keek verwonderd toe. Hij had bijna de dagen vergeten toen hij moeder Wolf in een eerlijk gevecht met vijf andere wolven won, toen ze nog met de horde meetrok en de naam van Duivelin niet bij wijze van compliment gekregen had. Shere Khan had het wel tegen vader Wolf kunnen opnemen, maar tegen moeder Wolf was hij niet opgewassen, want hij wist dat zij, waar hij nu stond, het terrein in haar voordeel had en zou vechten op leven en dood. Daarom begon hij zich grommend uit de ingang van het hol los te werken en toen hij zich had teruggetrokken, riep hij: "Op zijn eigen erf blaft iedere hond! We zullen eens zien wat de horde zal zeggen over het opnemen van een mensenjong. Het jong is van mij en het komt toch tussen mijn tanden aan zijn eind, jullie dieven met pluimstaart!"

Moeder Wolf wierp zich hijgend tussen haar welpen neer en vader Wolf zei ernstig tegen haar: "Daarin heeft Shere Khan gelijk. Het jong moet aan de horde getoond worden. Wil je het werkelijk houden, moeder?"

"Het houden?" snoof zij. "Naakt kwam het in de nacht tot hier, alleen en hongerig en toch was het niet bang! Kijk, het heeft al een van mijn eigenjongen opzij geduwd. En die kreupele slager zou het gedood hebben om daarna weg te lopen naar de Waingundja, terwijl de dorpelingen hier uit wraak al onze holen zouden verwoesten. Het houden? Zeker wil ik dat! Lig stil, kleine kikker. O jij, Mowgli - want Mowgli de Kikvors, zo zal ik je noemen eens komt de tijd dat jij jacht zult maken op Shere Khan, zoals hij jacht gemaakt heeft op jou."

"Maar wat zal onze horde zeggen?" vroeg vader Wolf.

De Wet van de Jungle schrijft zeer duidelijk voor dat iedere wolf, als hij trouwt, zich mag terugtrekken uit de horde waartoe hij behoort. Maar zodra zijn welpen groot genoeg zijn om op hun poten te staan, moet hij ze voor de Raad van de horde leiden, die gewoonlijk eens per maand bij volle maan vergadert, opdat de andere wolven zullen weten wie ze zijn. Na dit onderzoek zijn de welpen vrij te lopen waar het hen belieft en zolang ze niet hun eerste antilope hebben gedood, wordt geen enkele verontschuldiging aanvaard als een volwassen wolf van de horde n hunner doodt. Als men de moordenaar kan vinden, wordt hij gestraft met de dood en als je een minuut nadenkt, zul je inzien dat het zo hoort.

Vader Wolf wachtte tot zijn welpen een beetje konden lopen en in de nacht van de bijeenkomst van de horde trok hij met hen en Mowgli en moeder Wolf naar de Raadsrots - een heuveltop bedekt met stenen en enorme keien, waar een honderdtal wolven zich kon schuilhouden. Akela, de grote grijze Eenzame, die door zijn kracht en listigheid de leider was van de horde, lag in zijn volle lengte uitgestrekt op zijn rotsblok en onder hem zaten meer dan veertig wolven van elke grootte en kleur, van de grijze daskleurige ouderen, die in hun eentje wel een antilope konden overmeesteren, tot de jonge zwarte driejarige wolven, die dachten zoiets te kunnen. De Eenzame had hen reeds een jaar geleid. In zijn jonge jaren was hij tweemaal in een wolfskuil gevallen en eens was hij afgeranseld en voor dood blijven liggen; hij kende dus goed de manieren en gewoonten van de mensen. Er werd maar weinig gesproken bij de rots. De welpen buitelden over elkaar in het midden van de kring, waar hun vaders en moeders gezeten waren. Af en toe liep een oudere wolfkalm naar een welp, bekeek hem aandachtig en keerde vervolgens weer geruisloos terug naar zijn plaats. Soms gebeurde het ook dat een moeder haarjong in het volle maanlicht dreef, om zeker te zijn dat het niet over 't hoofd zou worden gezien. Akela riep dan telkens vanaf zijn rotsblok: "U kent de Wet - u kent de Wet. Kijk toe, o Wolven!" waarop de bezorgde moeders zijn roep herhaalden: "Kijk toe - kijk toe, o Wolven! "

Tenslotte - en de nekharen van moeder Wolf gingen rechtop staan toen het moment gekomen was -duwde vader Wolf "Mowgli de Kikvors", zoals zij hem noemden, naar het midden van de kring, waar hij lachend ging zitten spelen met enkele kiezelsteentjes, die glinsterden in de maneschijn.

Akela hief niet eens de kop van zijn poten, maar bleef doorgaan met zijn monotone roep: "Kijk toe!"

Een dof gebrul rees omhoog vanachter de rotsen - het was de stem van Shere Khan die riep: "Het jong is van mij! Geeft het aan mij! Wat heeft het Vrije Volk uit te staan met een mensenjong?" Akela spitste niet eens de oren: het enige dat hij zei was: "Kijk toe, o Wolven! Wat heeft het Vrije Volk uit te staan met de bevelen van iemand die niet tot het Vrije Volk behoort? Kijk toe!"

Een koor van dof gegrom rees op en een jonge wolf van een jaar of vier kaatste Shere Khans vraag terug naar Akela: "Wat heeft het Vrije Volk uit te staan met een mensenjong?"

Nu staat er in de Wet van de Jungle dat in geval van een geschil over het recht van een welp om al dan niet in de horde te worden opgenomen, hij de voorspraak moet hebben van ten minste twee leden van de horde die niet zijn vader of zijn moeder zijn.

"Wie spreekt er voor dit jong?" vroeg Akela. "Wie van het Vrije Volk spreekt voor hem? Er kwam geen antwoord en moeder Wolf maakte zich gereed voor wat naar ze wist haar laatste gevecht zou zijn, als het op vechten uitliep.

Het enige andere dier dat toegelaten was tot de Raad van de horde - Baloe, de slaperige bruine beer die aan de jonge wolfjes de Wet van de Jungle onderwijst; de oude Baloe die mag komen en gaan waar het hem belieft, omdat hij niets anders eet dan noten, wortels en honing - ging op zijn achterpoten staan en gromde. "Het mensenjong - het mensenjong?" vroeg hij. Ik spreek voor het mensenjong. Er zit geen kwaad in een mensenjong. Ik ben niet welbespraakt, maar ik zeg de waarheid. Laat het met de horde meetrekken en aangenomen worden met de anderen. Ik zelf zal het onderwijzen."

"Wij hebben nog iemand nodig," sprak Akela. "Baloe heeft gesproken en hij is onze leermeester voor de welpen. Wie spreekt er naast Baloe?"

Een zwarte schaduw viel midden in de kring neer. Het was Bagheera, de zwarte panter, zwart als inkt over heel zijn lichaam, maar, bij een bepaalde lichtschemering, met de kentekens van de panter er duidelijk overheen zoals de weerschijn van gemoireerde zijde. Iedereen kende Bagheera en niemand dacht eraan zijn pad te kruisen, want hij was zo geslepen als Tabaqui, moedig als een wilde buffel en roekeloos als een gewonde olifant. Maar hij had een stem zo zacht als wilde honing, druipend van een boom, en een vacht zachter dan dons.

"0 Akela, en u, het Vrije Volk," vleide hij, "ik heb geen recht in uw Raad; maar de Wet van de Jungle zegt dat bij geval van twijfel in een geschil over een nieuwe welp waarvoor niet op leven of dood gevochten hoeft te worden, het leven van de welp tegen een zekere prijs kan worden afgekocht. En de Wet zegt niet wie wel en wie niet die prijs mag betalen. Is dat zo?"

"Zo is het! Zo is het!" riepen de jonge wolven, die altijd hongerig zijn. "Luister naar Bagheera's woorden. Het leven van de welp kan worden afgekocht. Zo luidt de Wet."

"En omdat ik weet dat ik hier geen recht van spreken heb, vraag ik eerst uw toestemming."

"Spreek!" riepen twintig stemmen.

"Een naakt jong doden is een schande. Bovendien kan het u misschien meer jachtvermaak bezorgen als het volwassen is. Baloe heeft voor hem gesproken. En nu wil ik aan het woord van Baloe een stier toevoegen, een vette stier, juist gedood, nog geen halve mijl hiervandaan, indien u volgens de Wet het mensenjong wilt aannemen. Is de keuze moeilijk?"

Er rees een rumoer op van tientallen stemmen die tegelijk spraken: "Wat doet het er toe? Hij zal toch sterven in de winterregens. Hij zal verschroeien in de zon. Wat kan een naakte kikvors ons schaden? Laat hem met de horde meetrekken. Waar is de stier, Bagheera? Laat hem aangenomen worden!" En daarop rees weer het lage geblaf van Akela, die riep: "Kijk toe - kijk toe, o Wolven! "

Mowgli was nog steeds met al zijn aandacht bij de kiezelstenen en hij keek niet eens op toen de wolven n voor n naderbij kwamen om hem eens goed te bekijken. Ten slotte liepen ze allen de heuvel af, op zoek naar de dode stier, en alleen Akela, Bagheera, Baloe en de eigen wolven van Mowgli bleven achter. Shere Khan brulde nog steeds in de nacht, want hij was spinnijdig omdat Mowgli niet aan hem werd overgeleverd.

"Ja, brul jij maar," zei Bagheera in zijn snor, "maar er komt een tijd dat dit naakte ding je een toontje lager zal doen brullen, of ik heb geen verstand van mensen."

"Daar hebt u goed aan gedaan," zei Akela. "De mensen en hun jongen zijn heel wijs. Er komt vast eens een tijd dat hij ons helpen zal.

"Voorwaar, een hulp in tijd van nood. Want niemand kan verlangen voor eeuwig de horde te leiden," zei Bagheera.

Akela zweeg. Hij dacht aan het moment dat voor iedere leider van iedere horde komen zou, het moment dat zijn krachten hem begeven en hij zwakker en zwakker wordt, tot hij ten slotte door de wolven wordt gedood en er een nieuwe leider opkomt die hetzelfde lot ondergaat. "Neem hem mee," zei hij tot vader Wolf, "en leid hem op zoals het een lid van het Vrije Volk betaamt."

En zo werd Mowgli opgenomen in de horde der Sionieheuvels, voor de prijs van een stier en op voorspraak van Baloe.

Nu moetje er vrede mee nemen om tien, elfjaren over te slaan en slechts te gissen naar het wonderlijke leven dat Mowgli onder de wolven leidde. Want als dat alles beschreven moest worden, zou het ik weet niet hoeveel boeken vullen. Hij groeide op met de welpen, al waren deze natuurlijk reeds volwassen wolven toen hij nog niet eens een kind was, en vader Wolf leerde hem wat hij doen moest en wat de betekenis was van de dingen in de Jungle, totdat elk geritsel in het gras, elk zuchtje van de zwoele nachtwind, elk geluid van de uilen boven zijn hoofd, ieder krasje van de nagel van de vleermuis die een ogenblik uitrust in een boom, en het geringste plassen van een visje dat opspringt in een poel, voor hem evenveel betekende als voor een zakenman het werk op zijn kantoor. Als hij niet aan t leren was, lag hij buiten in de zon te slapen, at een beetje en sliep weer in. Als hij zich vuil voelde of het warm had, zwom hij in de woudpoelen en als hij zin had in honing - Baloe had hem geleerd dat honing en noten even lekker waren om te eten als rauw vlees klom hij in de bomen om er wat van te halen, op de manier waarop Bagheera het hem had laten zien. Bagheera ging dan languit op een tak liggen en riep: "Kom hier, Kleine Broeder," en al klemde Mowgli zich aanvankelijk vast als een luiaard, op het laatst slingerde hij tussen de takken zo onverschrokken als de grijze aap. Verder nam hij zijn plaats in op de Raadsrots als de horde er bijeenkwam, en ontdekte er dat iedere wolf die hij strak aankeek, gedwongen was de ogen neer te slaan, iets waarvan Mowgli voor de grap een gewoonte maakte.Andere keren trok hij de lange doornen uit de zoolkussentjes van zijn vrienden, want wolven lijden vreselijk van doornen en klissen in hun pels.

's Avonds liep hij soms de heuvel af naar de bebouwde streken en keek vol nieuwsgierigheid naar de dorpelingen in hun hutten. Maar toch wantrouwde hij de mensen, want Bagheera had hem eens een vierkante kist met een valdeur getoond, zo listig in de Jungle verborgen dat hij er bijna ingelopen was. Dat was een val, had Bagheera hem gezegd. Het liefst trok hij echter met Bagheera het donkere, warme hart van het woud in om er heel de zwoele dag te slapen en 's nachts toe te kijken hoe Bagheera zijn prooi sloeg. Hij deed het links en rechts, als hij honger kreeg, en Mowgli volgde zijn voorbeeld - met n uitzondering. Zodra hij oud genoeg was om de dingen te begrijpen, vertelde Bagheera hem dat hij geen vee mocht doden, omdat hij in de horde was gekocht tegen de prijs van een stierenleven. "De hele Jungle is van jou," zei Bagheera, "en je kunt alles doden waartegen je opgewassen bent; maar ter wille van de stier die jou afkocht, mag je nooit ofte nimmer vee doden of eten, hetzij jong of oud. Dat is de Wet van de Jungle."

En Mowgli gehoorzaamde trouw.

Hij groeide verder op en hij werd groot en sterk zoals iedere jongen wordt die niet weet wat schoolbanken zijn en die aan. Niets anders ter wereld hoeft te denken dan aan wat hij eten zal.

Moeder Wolf waarschuwde hem meermaals dat Shere Khan geen dier was om te vertrouwen en dat hij de tijger op zekere dag zou moeten doden. Een jonge wolf had zeker ieder uur aan die raad gedacht, maar Mowgli vergat het, omdat hij maar een jongen was - ofschoon hij zichzelf wel een wolf zou hebben genoemd als hij in staat was geweest in mensentaal te spreken.

Shere Khan kruiste voortdurend zijn pad in de Jungle, want toen Akela ouder en zwakker werd, was de manke tijger dikke vrienden geworden met de jonge wolven uit de horde, die hem achternaliepen voor kliekjes, iets dat Akela nooit zou hebben toegelaten indien hij zijn gezag nog ten volle had durven handhaven.

Shere Khan vleide hen dan en deed verbaasd omdat zulke flinke jonge jagers het zich lieten welgevallen geleid te worden door een stervende wolf en een mensenjong. "Er is mij verteld," placht Shere Khan te zeggen, "dat jullie hem op de Raad niet eens in de ogen durven kijken," wat de jonge wolven dan deed huilen en hun haren te berge deed rijzen.

Bagheera, die overal ogen en oren bezat, wist hier wel iets van en meer dan eens waarschuwde hij Mowgli met zoveel woorden dat Shere Khan hem wilde doden. Dan lachte Mowgli en zei: "Ik heb de horde en ik heb jou; ook Baloe, al is die nog zo lui, zou wel een paar klappen uitdelen om mijnentwille. Waarom zou ik dan bang zijn?"

Het was op een zeer warme dag dat Bagheera op een nieuwe gedachte kwam - een gedachte geboren uit iets dat hij gehoord had. Misschien was het Sahi, het stekelvarken, die het hem had verteld en toen hij samen met Mowgli diep in de Jungle was en de knaap met zijn hoofd op Bagheera's prachtige, zwarte pels lag, sprak deze: "Kleine Broeder, hoe vaak heb ik je al gezegd dat Shere Khan je vijand is?"

"Zoveel keren als er noten aan die palmboom hangen," zei Mowgli, die natuurlijk niet tellen kon. "Maar wat doet dat er toe? Ik heb slaap, Bagheera, en Shere Khan is niets anders dan een lange staart en luid gepraat - precies als Mor de Pauw."

"Maar het is nu geen tijd om te slapen. Baloe weet het, ik weet het, de horde weet het. Zelfs het dwaze, domme wild weet het en ook Tabaqui heeft het je verteld."

"Hoho!" zei Mowgli."Tabaqui kwam nog niet lang geleden bij mij met wat brutale praat: dat ik een naakt mensenjong was en nog niet eens in staat om aardnoten uit de grond te krabben. Maar ik greep Tabaqui bij zijn staart en zwaaide hem twee keer tegen een palmboom om hem betere manieren te leren."

"Dat was dwaas, want al is Tabaqui een onruststoker, hij zou je toch wat hebben kunnen vertellen datje persoonlijk aangaat. Houd je ogen open, Kleine Broeder. Shere Khan durft je niet in de Jungle te doden. Maar denk eraan, Akela is zeer oud. De dag komt gauw dat hij zijn antilope niet meer kan doden en dan is hij geen leider meer. Vele van de wolven die je bekeken toen je voor 't eerst voorde Raad werd gebracht, zijn thans ook oud en de jonge wolven geloven wat Shere Khan hun heeft gezegd: dat er voor een mensenjong geen plaats is in de horde. En binnen niet al te lange tijd zul jij een man zijn.

"En omdat ik een man ben, kan ik niet met mijn broeders meetrekken?" vroeg Mowgli. "Ik ben geboren in de jungle en er is geen wolf in onze horde uit wiens poten ik geen doorn heb getrokken. Vast en zeker zijn ze mijn broeders! "

Bagheera strekte zich in zijn volle lengte uit en kneep zijn ogen tot spleetjes. "Kleine Broeder," sprak hij, "voel eens onder mijn kaak. "

Mowgli stak zijn sterke bruine hand uit en juist onder Bagheera's zijige kin, waar de geweldige spieren rolden, verborgen onder het glanzende haar, voelde hij een kaal plekje.

"Niemand in de jungle weet dat ik, Bagheera, dit merkteken draag - het merkteken van de halsband. En toch, Kleine Broeder, ben ik geboren onder de mensen en het was eveneens onder de mensen dat mijn moeder stierf - in de kooien van het koninklijk paleis te Oodeypoer. Daarom heb ik voorjou de prijs betaald op de Raad toen jij nog een klein naaktjong was. ja, ook ik ben geboren onder de mensen. De jungle had ik nog nooit gezien. Ze voedden mij achter tralies uit een ijzeren ketel, tot ik op zekere nacht voelde dat ik Bagheera was, de panter, en niet het speelgoed van de mensen.Toen verbrak ik met n klap van mijn poot het armzalige slot en vluchtte weg. En omdat ik de manieren van de mensen had leren kennen, werd ik in de jungle nog meer gevreesd dan Shere Khan. Is het niet zo?"

"Ja," zei Mowgli, "de hele jungle vreest Bagheera - de hele jungle, behalve Mowgli."

"0, maar jij bent ook een mensenjong," zei de zwarte panter liefdevol, "en precies zoals ik terugkeerde naar mijnjungle, zo zul jij ten slotte terugkeren naar de mensen - naar de mensen die jouw broeders zijn - tenminste als je in de Raad niet wordt gedood."

"Maar waarom -waarom zou iemand mij willen doden?" vroeg Mowgli.

"Kijk mij aan," sprak Bagheera. En Mowgli keek hem strak in de ogen. De grote panter wendde na een halve minuut reeds zijn kop af.

Daarom, zei hij, terwijl hij een poot op de bladeren verlegde."Zelfs ik kan niet in je ogen zien en ik werd nog wel onder de mensen geboren en ik houd van je, Kleine Broeder. De anderen haten je omdat hun ogen de jouwe niet kunnen weerstaan, omdat jij wijs bent, omdat jij de doornen uit hun poten hebt getrokken - omdat jij een mens bent."

"Ik wist dat allemaal niet," zei Mowgli somber en hij fronste zijn zware zwarte wenkbrauwen.

"Wat zegt de Wet van de Jungle? Eerst toeslaan, daarna spreken.Aan je onbezonnenheid zien ze dat je een mens bent. Maar wees verstandig. Diep in mijn hart weet ik dat wanneer Akela zijn volgende prooi mist - en bij elke jacht kost het hem meer en meer moeite de antilope te doden - de horde zich zal keren tegen hem en tegen jou. Dan zullen ze een Raad houden op de Rots en dan en dan - ik heb het!" zei Bagheera, terwijl hij opsprong. "Ga vlug het, dal in naar de hutten van de mensen en neem wat van de Rode Bloem die ze daar kweken, zodat, als de tijd gekomen is, jij zelfs een sterkere vriend hebt dan mij of Baloe of diegenen in de horde die van je houden. Haal de Rode Bloem. "

Met de "Rode Bloem" bedoelde Bagheera het vuur, want geen enkellevend wezen van de Jungle zal het vuur bij zijn ware naam noemen. Elk dier heeft er een dodelijke angst voor en vindt honderden manieren om het te beschrijven zonder het te noemen. "De Rode Bloem?" zei Mowgli. "Die groeit in de schemering bij hun hutten. Ik zal er wat van halen."

"Ja, nu spreekt het mensenjong!" zei Bagheera trots. "Denk er om dat het groeit in kleine potten. Gaat het vlug halen en houd het bij je voor in tijd van nood."

"Goed!" zei Mowgli. "Ik ga. Maar weet je zeker, o mijn Bagheera," - hij sloeg zijn armen rond de imposante nek en keek diep in de grote ogen - "weet je zeker dat dit alles het werk is van Shere Khan?"

"Bij het gebroken slot dat mij de vrijheid gaf: ik weet het zeker, Kleine Broeder."

"Als het zo is, bij de stier die mij afkocht, dan zal ik Shere Khan daarvoor met de volle maat betalen en misschien met nog een beetje meer," zei Mowgli, en met een sprong was hij weg.

"Dat is een mens. Dat is op en top een mens," zei Bagheera bij zichzelf, terwijl hij weer ging liggen. "0, Shere Khan, nooit ben je op een noodlottiger jacht gegaan dan je kikkerjacht van tien jaar geleden! "

Mowgli bevond zich diep in het woud. Hij liep hard en binnen in hem was zijn hart heel heet. Hij kwam bij het hol toen de avondmist oprees, kwam er weer op adem en keek het dal in. De welpen waren weg, maar moeder Wolf, die achter in het hol lag, hoorde aan zijn ademhaling dat haar kikvors iets dwarszat.

"Wat scheelt er, mijn zoon?" vroeg zij.

"Och, wat vleermuizenpraatjes van Shere Khan," riep hij terug."Ik ga vanavond jagen in de bebouwde velden. " En meteen sprong hij omlaag door de struiken naar de rivier in de diepte van het dal. Daar bleef hij plotseling staan, want hij hoorde het gehuil van de jagende horde, hoorde het geloei van een opgejaagde sambhur en het gesnuif van het dier toen het zich omkeerde en zich te weer stelde. Toen volgde er het spottende, boosaardige gehuil van de jonge wolven: " Akela! Akela! Laat onze Eenzame zijn kracht eens tonen. Maak plaats voor de leider van de horde! Spring toe, Akela! "

De Eenzame moest gesprongen hebben en zijn prooi gemist, want Mowgli hoorde zijn kaken op elkaar slaan en daarna zijn gejank toen de sambhur hem met zijn voorpoten een klap gaf.

Hij bleef met langer wachten maar haastte zich verder. En het gehuil stierf achter hem weg toen hij door het bouwland rende waarde dorpelingen woonden.

"Bagheera sprak de waarheid," hijgde hij, terwijl hij zich nestelde in een hoop veevoeder onder het raam van een hut. "Morgen is het een belangrijke dag voor Akela en voor mij." Daarop drukte hij zijn gezicht tegen het venster en keek naar het vuur in de haard. In de nacht zag hij de vrouw opstaan en het voeden met zwarte brokken. En toen de ochtend aanbrak en de nevel wit en koud werd, zag hij het kind een tenen korf nemen die van binnen met klei besmeerd was, zag hem die dan vullen met roodgloeiende houtskool en daarna naar buiten gaan om de koeien te verzorgen in de stal.

"Is dat alles?" zei Mowgli. " Als een jong dat kan, dan is er niets te vrezen." Hij sloop de hoek om, sprong voor de jongen, nam hem de pot met vuur uit de hand en verdween in de mist, terwijl de jongen huilde van angst.

"Zij lijken erg veel op mij," zei Mowgli en hij blies in de pot zoals hij de vrouw had zien doen. "Dat ding zal doodgaan als ik het geen eten geef." En hij legde takjes en stukjes droge boomschors op het rode goedje.

Halverwege de heuvel ontmoette hij Bagheera met de ochtenddauw glinsterend als maanstenen op zijn zwarte pels.

"Akela miste zijn prooi," zei de panter. "Ze zouden hem gisteravond reeds gedood hebben, maar ze hadden ook jou nodig. Ze hebben je overal op de heuvel gezocht.

"Ik ben bij de velden geweest. Ik ben gereed. Kijk maar! "Mowgli stak de vuurpot naar hem uit.

"Dat is goed. Ik heb de mensen een droge tak in dat goedje zien steken en weldra bloeide aan het einde daarvan de Rode Bloem. Ben je niet bang?"

"Nee. Waarom zou ik bang zijn? Ik herinner mij - als het tenminste geen droom is - dat ik, vr ik een Wolf was, soms naast de Rode Bloem lag en het was er wamt en aangenaam."

De hele dag zat Mowgli in het hol te waken over zijn vuurpot en duwde er droge takken in om te zien hoe ze brandden. Hij vond een tak die hem geschikt leek, en toen 's avonds Tabaqui bij het hol verscheen en hem nogal brutaal kwam zeggen dat hij verwacht werd bij de Raadsrots, lachte hij tot Tabaqui wegrende. En aldoor lachend ging Mowgli daarop naar de Raad.

Akela de Eenzame lag naast zijn rotsblok, ten teken dat het leiderschap van de horde open was, en Shere Khan met zijn gevolg van wolven die leefden van wat hij liet liggen, wandelde er rond en werd openlijk gevleid. Bagheera lag dicht bij Mowgli en de vuurpot stond tussen Mowgli's knien. Toen ze allen verzameld waren, begon Shere Khan te spreken - iets dat hij nooit ofte nimmer zou hebben gedurfd toen Akela nog in zijn volle kracht was.

"Hij heeft er het recht niet toe," fluisterde Bagheera. "Zeg het hem. Het is een lafbek. Hij zal bang zijn."

Mowgli sprong overeind. "Vrij Volk," riep hij, "is Shere Khan de leider van de horde? Wat heeft een tijger te maken met onze leiding?"

"Ik weet dat de plaats van leider open is en daar men mij gevraagd heeft om te spreken -" begon Shere Khan.

"Wie vroeg dat?" zei Mowgli. "Zijn wij dan allemaal jakhalzen om te kruipen voor die slachter? Het leiderschap van de horde hoort aan de horde alleen. "

Er werd geblaft: "Zwijg, mensenjong!" "Laat hem spreken. Hij heeft zich aan de Wet gehouden." Maar de ouderen van de horde overschreeuwden dat alles met de roep: "Laat de Dode Wolf spreken!" Als de leider van de horde zijn prooi gemist heeft, noemt men hem de Dode Wolf, voor de korte tijd die hij nog te leven heeft.

Akela hief moeizaam zijn oude kop: "Vrij Volk en ook jullie,jakhalzen van Shere Khan, twaalfjaar heb ik jullie op de jacht aangevoerd en jullie veilig weer naar huis gebracht en in al die tijd liep niemand van jullie in de val of werd hij verminkt. Nu heb ik mijn prooi gemist. Jullie weten hoe men mij erin heeft laten lopen. Jullie weten hoe jullie mij voor dit jonge hert gebracht hebben om mijn zwakheid te laten blijken. Het was handig in elkaar gezet. Het is jullie recht mij nu te doden, hier op de Raadsrots. Daarom vraag ik jullie, wie komt er naar voren om het leven van de Eenzame te beindigen? Want volgens de Wet van de Jungle is het mijn recht dat jullie het allen n voor n tegen mij op nemen. "

Een lange stilte volgde, want geen enkele wolf waagde het met Akela te vechten op leven en dood. Toen brulde Shere Khan: "Bah, wat gaat ons die tandeloze dwaas nog aan? Hij is ten dode opgeschreven! Het is het mensenjong dat te lang heeft geleefd. Vrij Volk, het was mijn buit, van meet af aan. Geef hem aan mij. Ik heb genoeg van deze klucht van de menswolf Al tien jaar heeft hij onrust in de Jungle gebracht. Lever mij het mensenjong of ik blijf hier voor altijd jagen en geef jullie geen enkel been meer. Het is een mens, een mensenjong en ik haat het tot in het merg van mijn beenderen! "

Meer dan de helft van de horde huilde daarop: "Een mens! Een mens! Wat heeft een mens met ons te maken? Laat hem naar zijn eigen volk gaan!"

"Om alle dorpelingen tegen ons op te zetten, zeker?" tierde Shere Khan. "Nee, geef hem aan mij. Het is een mens en geen van ons kan hem in de ogen kijken. "

Akela hief andermaal zijn kop en sprak: "Hij heeft ons voedsel gegeten. Hij heeft met ons geslapen. Hij heeft prooi voor ons opgejaagd. En hij heeft nooit n enkel woord van de Wet van de Jungle gebroken."

"En bovendien kocht ik hem af met een stier toen hij aangenomen werd. De waarde van eert stier is niet groot, maar de eer van Bagheera is iets waarvoor hij zo nodig zal vechten," zei Bagheera op zijn vriendelijkste toon.

"Een stier die tien jaar geleden betaald werd!" bromde de horde."Wat geven wij om beenderen van tien jaar oud?"

"Of om een gelofte?" zei Bagheera en hij trok zijn lip op en liet zijn witte tanden zien. "De naam van Vrij Volk is voor jullie goed gekozen!"

"Geen enkel mensenjong mag met het Junglevolk meetrekken!" brulde Shere Khan."Geef het aan mij!" "In alles is hij onze broeder, behalve naar het bloed," vervolgde Akela, en hier zouden jullie hem willen doden! Waarlijk, ik heb te lang geleefd. Sommigen onder jullie eten vee en van anderen heb ik gehoord dat Shere Khan hun geleerd heeft in de donkere nacht kinderen weg te slepen van de boerenhutten. Ik weet dus dat jullie lafbekken zijn en dat ik nu spreek tot lafbekken. Het staat vast dat ik moet sterven en mijn leven is van generlei waarde meer, anders zou ik het ruilen Voor dat van het mensenjong. Maar ter wille van de eer van onze horde - een kleinigheid die jullie vergeten hebben nu jullie zonder leider zijn - als jullie het mensenjong naar zijn eigen volk laten terugkeren, beloof ik jullie geen tand te ontbloten als het uur van mijn dood gekomen is. Ik zal sterven zonder te vechten. Dat zal de horde ten minste drie levens sparen. Mr kan ik niet doen.Als jullie dus willen, kan ik jullie redden van de schande die over jullie zal komen door het doden van een broeder die zonder vlek of smet is, een broeder die aangenomen werd en ingekocht bij de horde volgens de Wet van de Jungle."

"Het is een mens - een mens - een mens!" snauwde de horde en de meeste wolven schaarden zich rond Shere Khan, wiens staart heen en weer sloeg.

"Nu ligt de zaak in jouw handen," zei Bagheera tot Mowgli.Wij kunnen niets anders meer dan vechten. "Mowgli stond op met de vuurpot in zijn hand. Vervolgens strekte hij zijn armen uit en geeuwde vlak in het gezicht van de Raad. Maar van binnen was hij razend van woede en verdriet, want naar wolvenaard hadden de wolven hem nooit laten blijken hoezeer ze hem haatten: "Luister!" riep hij. "Al dat hondengejank hebben we niet nodig. Jul11e hebben mij vanavond al zo dikwijls gezegd dat ik een mens ben - en toch zou ik graag tot mijn dood onder jullie een wolf gebleven zijn - dat 1k de waarheid van jullie woorden voel. En dus noem ik jullie niet langer meer mijn broeders, maar honden, zoals een mens jullie zou moeten noemen. Wat je wel en wat je niet zult doen is niet jullie zaak. Dat is de mijne. En om jullie dat wat duidelijker aan het verstand te brengen, heb ik, de mens, hier een beetje van de Rode Bloem meegebracht, waarvoor jullie honden zo bang zijn. "

Hij gooide de vuurpot op de grond en een paar gloeiende kooltjes staken een bosje droog mos in brand dat helder opvlamde. De Raad deinsde vol angst terug voor de dansende vlammen.

Mowgli stak zijn dode tak in het vuur totdat de twijgen begonnen te branden en te knetteren, en zwaaide met de tak boven zijn hoofd te midden van de laf wegkruipende wolven.

"Jij bent de meester," zei Bagheera met fluisterstem. "Red Akela van de dood. Hij is altijd je vriend geweest."

Akela, de grimmige oude wolf die nooit in zijn leven om genade had gesmeekt, keek Mowgli lang en treurig aan, terwijl de jongen daar stond, helemaal naakt, met zijn lange zwarte haar neervallend over zijn schouders, in het licht van de brandende tak die de schaduwen liet springen en trillen.

"Het is goed," zei Mowgli, terwijl hij zijn strakke blik langzaam rond liet gaan. "Ik zie dat jullie honden zijn. Ik ga van jullie weg en keer terug naar mijn eigen volk -als dat mijn eigen volk is. De Jungle is voor mij gesloten en ik moet jullie taal en jullie kameraadschap vergeten. Maar ik zal genadiger zijn dan jullie. Omdat ik alles was behalve je broeder in den bloede, beloof ik, als ik mens onder de mensen zal zijn, je niet te verraden zoals jullie mij verraden hebben." Met zijn voet schopte hij in het vuur zodat de vonken opvlogen. "Er zal geen strijd zijn tussen mij en wie ook van de horde. Maar er is nog n schuld die vereffend moet worden eer ik wegga." Hij schreed vooruit naar de plaats waar Shere Khan versuft zat te staren naar de vlammen, en greep hem bij de haarbos onder zijn kin. Bagheera volgde hem voor het geval dat er een ongeluk zou gebeuren. "Sta op, hond!" riep Mowgli. "Sta op als een mens spreekt, of ik steekje pels in brand."

Shere Khans oren lagen plat op zijn kop en hij kneep zijn ogen dicht, want de brandende tak was vlakbij.

"Deze veeslachter zei dat hij mij in de Raad zou doden omdat hij het niet gedaan had toen ik nog jong was. Zie, z en z slaan wij, mensen, de honden. En waag het eens ook maar n poot te verroeren, Lungri, dan ram ik de Rode Bloem in je strot!" Hij sloeg Shere Khan met de tak op zijn kop en de tijger jankte en huilde van angst.

"Bah! verschroeide Junglekat - maak dat je wegkomt! Maar denk eraan, als ik de volgende keer op de Raadsrots verschijn, dan zal het zijn als mens met de huid van Shere Khan rond mijn schouders.Voor de rest zal Akela vrijelijk leven zoals het hem belieft. Jullie zullen hem niet doden, omdat ik het niet wil. En ik wil ook niet dat jullie hier nog langer blijven zitten met je tong uit je muil, alsof jullie waardige wolven zijn in plaats van honden die ik wegjaag dus vooruit! Gaat!" Het vuur laaide op aan het einde van de tak en Mowgli sloeg er links en rechts mee in het rond en de wolven maakten zich huilend uit de voeten terwijl de vonken hun pels schroeiden. Ten slotte waren daar nog slechts Akela, Bagheera en misschien een tiental wolven die Mowgli's zijde hadden gekozen.Toen begon er binnen in Mowgli iets pijn te doen, zoals hij nog nooit tevoren had gevoeld. Hij hield zijn adem in en snikte, terwijl de tranen over zijn gezicht liepen. "Wat is dat? Wat is dat?" vroeg hij. "Ik wil de Jungle niet verlaten en ik begrijp niet wat dit is. Ga ik sterven, Bagheera?"

"Nee, Kleine Broeder. Dat zijn enkel tranen, zoals het met de mensen gebeurt," zei Bagheera. "Nu weet ik, dat je een volwassen mens bent en niet langer een mensenjong. Voorwaar, van nu af aan is de Jungle voor je gesloten. Laat ze stromen, Mowgli. Het zijn enkel tranen." En Mowgli zat daar en huilde alsof zijn hart ging breken. In heel zijn leven had hij nog nooit geweend.

"Nu zal ik naar de mensen gaan," zei hij. "Maar eerst moet ik mijn moeder vaarwel zeggen.

En hij keerde terug naar het hol waar zij en vader Wolf woonden en hij schreide in haar pels, terwijl de vier welpen erbarmelijk jankten.

"Je zult me toch niet vergeten?" vroeg Mowgli.

"Nooit, zolang wij een spoor kunnen volgen," zeiden de jongen.

"Kom, wanneer je een mens bent, beneden aan de voet van de heuvel om met ons te praten. En 's nachts zullen we met je spelen tussen de velden."

"Kom spoedig terug!" zei vader Wolf: "Jij kleine wijze kikvors,keer spoedig terug. Want wij zijn oud,je moeder en ik."

"Kom spoedig terug," zei moeder Wolf, "mijn kleine naakte zoon. Ik zeg het je, mensenjong, ik hield meer van je dan van mijn eigen welpen."

"Natuurlijk kom ik terug," zei Mowgli. "En als ik kom. zal het zijn om de huid van Shere Khan uit te spreiden op de Raadsrots. Vergeet mij niet! Zeg iedereen in de Jungle, mij nooit te vergeten!"

De dag begon reeds aan te breken, toen Mowgli eenzaam de heuvel afdaalde, naar die geheimzinnige wezens die mensen worden genoemd.


<< | Het Jungleboek | Jachtlied van de Sionie-horde >>

Bewerk - Geschiedenis - Afdrukken - Recente Wijzigingen - Zoek
Page last modified on 15 september 2009 om 22:37