Collection

The Jungle Book Wiki

Deel je kennis over Het Jungleboek. Bewerk de artikelen en verbeter deze Wiki.
Recente Wijzigingen - Zoek:

JBWiki

Het Engels talige gedeelte van deze wiki is veel vollediger.
Gezocht: iemand die een begin wil maken aan het vertalen van Engelse wiki pagina's naar het Nederlands.


Powered by


edit SideBar

Nl /

DienaarsVanDeKoningin

DIENAARS VAN DE KONINGIN
Het had zwaar geregend een hele maand lang — geregend op het kamp van dertig duizend man en duizend kamelen, olifanten, paarden, ossen en muilezels, die bijeen stonden op de plaats genoemd Rawal Pindi, om de revue te passeren vóór de onderkoning van Indië. Hij kreeg het bezoek van de Emir van Afganistan — een wilde koning van een nog wilder land. En de Emir had als lijfwacht achthonderd man ruiterij meegebracht, die nog nooit in hun leven een kamp of een locomotief hadden gezien — wilde mannen en wilde paarden van ergens uit het hart van Midden-Azië. Men kon er elke nacht op aan, dat een troep van deze paarden zijn leidsel verbrak om, in duisternis en modder, door het kamp te draven, of dat de kamelen losbraken, op de loop gingen en over de tentzeilen struikelden, en je kunt je indenken hoe prettig dat was voor mensen die probeerden te slapen. Mijn tent lag ver weg van het kamelenkamp en ik meende in veiligheid te zijn. Maar op een mooie nacht stak iemand zijn hoofd naar binnen en riep luid: „Vlug, naar buiten! Ze komen! Mijn tent ligt er!"
Ik wist wel wie „ze" waren. Ik trok mijn laarzen aan, mijn regenjas en sprong in de modder.
Kleine Vixen, mijn fox-terriër, wipte langs de andere kant naar buiten. Daarop hoorde ik een geronk, gebrom en gegorgeld, ik zag de mast breken en de ineengezakte tent beginnen te dansen als een krankzinnig spook. Een kameel was naar binnen gevallen, en al was ik woedend en nat, ik moest er toch om lachen. Toen liep ik maar weg, want ik wist niet hoeveel kamelen er wel waren losgebroken, en het duurde niet lang of ik stond buiten het kamp te ploeteren in de modder. Op 't laatst struikelde ik over het sluitstuk van een kanon, en zo wist ik, dat ik ergens bij de plaats was, waar men 's avonds de kanonnen zette. Ik had geen zin om nog verder in duisternis en regen rond te ploeteren, hing daarom mijn regenjas over de mond van een kanon, maakte met twee, drie laadstokken een soort wigwam en legde mij daaronder op het sluitstuk van het volgend kanon te slapen, terwijl ik mij afvroeg, waar Vixen heen mocht zijn en waar ik mij eigenlijk wel bevond. Op 't ogenblik dat ik zou inslapen, hoorde ik 't geklir van een gareel en ook gesnuif, en een muilezel die zijn natte oren schudde, liep voorbij. Die hoorde thuis bij een batterij schroef-kanonnen, want ik hoorde duidelijk het gerammel der riemen en ringen en kettingen van zijn tuig.
Schroef-kanonnen zijn kleine kanonnen, gemaakt uit twee stukken, die aaneen worden geschroefd, als men ze gebruiken moet. Ze worden mee in de bergen genomen, waar slechts een muilezel een pad kan vinden, en ze bewijzen grote diensten, als er gevochten moet worden in een rotsige streek. Achter de muilezels kwam een kameel. Zijn dikke, zachte poten plasten en gleden uit in het slijk, en zijn nek sloeg van links naar rechts als van een verdwaalde kip. Ik kende gelukkig genoeg dierentaal, — niet van wilde dieren natuurlijk, maar van die uit een kamp, zoals inlanders me die geleerd hadden, — om te weten wat ze zeiden. Het was blijkbaar de kameel, die in mijn tent was getuimeld, want hij riep tot de muilezel,,Wat moeten we beginnen? En waar heen? Ik heb gevochten met een wit ding dat fladderde, en het nam een stok en sloeg in mijn nek." (Dat was mijn gebroken tentpaal en ik was blij het te horen). „Gaan wij nog verder?"
„Och, jij was het dus", zei de muilezel, „jij en je kameraden, die het kamp in beroering hebt gebracht? Goed zo, morgen krijg je daar een pak ransel voor. Maar ik zal je nu reeds een voorschot geven."
Ik hoorde het tuig rinkelen, terwijl de muilezel hem twee schoppen tegen de ribbenkast gaf, die klonken als tromgeroffel. „Dat zal je leren in 't vervolg nog 's nachts door een muilezelbatterij te rennen en te roepen: Dieven! Brand! Ga liggen en houd je dwaze nek stil!" gebood de muilezel.
De kameel vouwde op kamelen-manier zijn nek als een passer ineen en ging kreunend liggen. In de duisternis klonk regelmatig getrappel van hoeven en een groot cavaleriepaard kwam aangerend, ordelijk alsof het op parade was sprong over het sluitstuk en belandde vlak bij de muilezel.
„'t Is een schande", zei het, terwijl het door zijn neusgaten blies. „Die kamelen zijn weer eens door onze rijen gebroken, — dat is de derde maal deze week. Hoe kan een paard in goede conditie blijven, als men het niet eens laat slapen. Wie daar?"
„Ik ben de muilezel van 't sluitstuk van kanon twee bij de Eerste Schroef-Batterij", zei de muilezel en de andere is een van je vrienden. Hij heeft mij eveneens wakker gemaakt. Wie ben jij?"
„Nummer vijftien, troep E van 't Negende Lanciers — het paard van Dick Cunliffe. Maak 'n beetje plaats als 't je blieft."
„Neem mij niet kwalijk", zei de muilezel, „'t Is te donker om veel te zien. Die kamelen zijn te dom om te helpen. Ik liep uit onze rijen weg om hier wat stilte en rust te vinden."
„Mijne heren", zei de kameel nederig, „wij hadden boze dromen deze nacht en we waren danig bang. Ik ben niets anders dan de pakkameel van het 39ste Inlands Voetvolk, en ik ben niet zo moedig als gij, mijne heren."
„Waarom blijf je dan niet het lastgoed van het 39ste Inlands Voetvolk dragen, in plaats van hier door het kamp te rennen?" vroeg de muilezel.
„Het waren toch zulke akelige dromen", sprak de kameel. „Het spijt mij. Maar luistert! Wat is dat? Moeten wij weer lopen?"
„Ga liggen", zei de muilezel, „of je zal je lange spille-poten nog breken hier tussen de kanonnen." Hij spitste een oor en luisterde. „Ossen!" zei hij. „De trekossen. Waarachtig, jij en je vrienden hebt het hele kamp wakker gemaakt. Er moet heel wat gebeuren eer een trekos opstaat."
Ik hoorde een ketting over de grond kletteren en een span van die grote, zwijgzame, witte ossen, die de zware belegeringskanonnen trekken als de olifanten niet verder in het vuur willen, kwam nader, schouder aan schouder. Vlak op hun hielen volgde een andere muilezel. Hij trapte bijna op de ketting en riep verdwaasd: „Billy! Billy!"
„'t Is een van onze nieuwelingen", zei de oude muilezel
tegen het cavalerie-paard. „Hij roept om mij. Hier, knaap, en
stil met dat gebalk. De donkerte heeft nog nooit iemand
kwaad gedaan." |

De trekossen legden zich samen neer en begonnen te herkauwen, maar de jonge muilezel drong dicht tegen Billy aan.
„Het was verschrikkelijk!" begon hij. „Verschrikkelijk, Billy! Ze drongen onze rijen binnen, terwijl we sliepen. Denk je niet dat ze ons zullen doden?"
„Ik heb lust om je een flinke opstapper te geven", zei Billy. „Kan je je voorstellen, dat een muilezel van vier voet zes duim, met een opvoeding als de jouwe, onze Batterij zou kunnen onteren, hier vóór deze heer?"
„Zachtjes, zachtjes!" zei het cavalerie-paard. „Denk eraan, dat wij allen zo waren in het begin. De eerste keer, dat ik een mens zag, (het was in Australië en ik was drie jaar oud) heb ik een halve dag gelopen, en was het een kameel geweest, dan liep ik nu nog."
Bijne alle paarden uit de Engelse cavalerie zijn uit Australië naar Indië overgebracht, en door de soldaten zelf gedrild.
„'t Is zo", zei Billy. „Schei uit met beven, knaap. Toen ze mij de eerste keer een volledig gareel met al zijn kettingen op de rug legden, stond ik op mijn voorpoten en schudde alles af. Ik kende toen nog niet de juiste kunst van met de hoeven te slaan, maar de hele batterij zei, dat ze zo iets nog nooit hadden gezien."
„Maar wat ik zag, was geen gareel of iets dat rinkelde", zei de jonge muilezel. „Je weet, Billy, dat ik daar niets meer om geef. Het waren net bomen, en ze vielen over heel de rij neer. Mijn leidsel brak door en ik kon mijn man en ook jou niet vinden, Billy. Ik liep dus maar weg met — met deze heren hier."
„Hm!" zei Billy. „Zodra ik hoorde dat de kamelen waren losgebroken, ging ik er voor mijn eigen rekening vandoor. Als een batterij-muilezel, van de schroef-kanonnen nogal, trekossen heren noemt, moet hij lelijk ontdaan zijn. Jullie daar, op de grond, wie zijn jullie?"
De trekossen slikten hun voedsel weer in en antwoordden tezamen: „Wij zijn het zevende juk van het eerste kanon van de Zware Batterij. Wij sliepen toen de kamelen kwamen, en toen ze ons onder de voet liepen, stonden wij op en trokken weg. 't Is beter rustig in het slijk te liggen, dan gestoord te worden op stalstro. We zeiden aan uw vriend, dat er niets was om bang van te zijn, maar hij wist het beter. Wah!"
En ze herkauwden verder.

Bewerk - Geschiedenis - Afdrukken - Recente Wijzigingen - Zoek
Page last modified on 08 april 2007 om 22:08